Het Concilie van Jeruzalem (ook wel apostelconvent of apostelconcilie genoemd) was een concilie in Jeruzalem (tussen 44 en 49) waarbij de apostelen uit de oergemeente samenkwamen met Paulus van Tarsus en zijn begeleiders. Op dit concilie werd de voor het oerchristendom cruciale beslissing genomen inzake de christelijke zending naar de heidenen (dat wil zeggen: niet-Joden). Er werd als bindend erkend dat heidenen zich niet eerst hoefden te besnijden om christen te worden. Handelingen 15:11 citeert de apostel Petrus: “we geloven dat we alleen door de genade van de Heer Jezus gered kunnen worden, op dezelfde wijze als zij.” Hiermee werden de Joden en heidenen bedoeld. In de Galaten 2:9 schrijft Paulus zelf over de in Jeruzalem gemaakte afspraken: “Toen ze dus de genade onderkenden die mij geschonken was, ... reikten Jakobus, Kefas en Johannes, die als steunpilaren golden, mij en Barnabas de broederhand: wij zouden naar de heidenen gaan, zij naar de besnedenen.”